06 - 44 07 61 88

Historie Huizer haven

Huizer botters: toen en nu! 
door Gert Jan Schaap

Inleiding

Zolang er mensen op de Gooische kust gewoond hebben, is hier gevist. Niet als hobby zoals nu, maar om van te leven. Toch lijkt het erop dat de professionele visvangst pas in de 18e eeuw van de grond kwam. In Huizen was rond 1650 het woningbestand ongeveer 140, een eeuw later stonden er ongeveer 280 huizen. In die eeuw wordt er in de officiële stukken weinig over de visserij aangetroffen, meer over boeren en wevers. Maar de groei van het aantal woningen in Huizen duidt op economische vooruitgang. Dit in tegenstelling tot andere Gooische dorpen, zoals Blaricum en Laren, waar het bewonersaantal in dezelfde periode terugliep.

De groei van de visserijvloot ging in die tijd tegen de verdrukking in. Vaak zijn de Huizer vissers in hun bestaan bedreigd, niet alleen door externe omstandigheden als zwaar weer, het wegvallen van de vangst, maar vooral door ingrijpen van de overheid.

In vroegere eeuwen werd de vis op de rede voor de Huizer kust aangevoerd. Met paard en wagen werd tot ongeveer 600 ellen, ongeveer 500 meter, de Zuiderzee ingereden om de vis te lossen en aan de wal te brengen.

Maar Huizen had toen niet alleen geen haven, maar ook geen recht om vis te mogen aan- en doorvoeren. Dat moest in Naarden op grond van een stapelrecht uit 1342 van graaf Willem IV. Dit recht bepaalde dat alle vis gevangen tussen Muiden en Kampen in Naarden moest worden gelost en verkocht. Maar de haven van Naarden verzandde, waarmee het stapelrecht van Naarden al snel verdween.

Op 31 mei 1752 werd door de Staten van Holland en West-Friesland nog wel per verordening bevolen dat de vissers, die in deze provincie woonden hun op de Zuiderzee gevangen haring op de afslag van een van de watersteden met stapelrecht moesten aanvoeren. Streng gehandhaafd werd die regeling kennelijk niet, want de Huizer vissers voerden hun vis nog steeds op de Reede aan. Wel werd er door de plaatselijke overheid jaren actie gevoerd om die verordening te wijzigen.

Pas in 1806 werd door Koning Lodewijk Napoleon het verzoek ingewilligd, dat de visschers niet verder uit krachte der voormelde publicatie worde belet, naar gewoonte hunne gevangen haring in de Zuijderzee direct uit zee aan het strand onzes dorps aan te brengen.

Er waren toen 73 Huizer bosschuiten geregistreerd. Een bosschuit is Huizer dialect voor een botter. Vermoedelijk is bos een verwijzing naar het houtwerk van de bun, in tegenstelling tot de voorheen gebruikte botschuiten had een botter namelijk wel een natte bun om de gevangen vis vers te houden.

In de 19e eeuw werd de weg in zee steeds moeilijker begaanbaar en te onderhouden. De vloot groeide bovendien naar ruim 100 botters rond 1850. De rede bood ook te weinig bescherming. IJsgang en stormen hadden verwoestende gevolgen: in 1803 werden vier schuiten door het ijs verbrijzeld en in 1827 zijn er 16 schepen op de rede gezonken.

historie huizer havenOverwinteren moest in andere plaatsen waar een haven was. In de haven van Muiden werden de meeste botters voor de winterdag opgelegd, maar ook werd de Eemmonding daarvoor gebruikt. Er moest dus een haven komen! Aan de Zuidwal was die er niet tussen Muiden en Kampen. Ook de handel had belang bij een regelmatige aanvoer. Honderden kruiwagens of hondenkarren vis werden wekelijks over grote afstanden uitgevent. Ook hierom een haven dus!

De haven lag buiten het dorp op de grens van het hogere zand en de lagere klei. Aan de westzijde verrezen al snel na de opening twee taanderijen en enkele hangens (visrokerijen). Op de haven woonden slechts een paar gezinnen. Andere haringrokerijen stonden van oudsher in het centrum van het dorp.

Tijdens de jaarlijkse haringcampagne in het voorjaar stond Huizen blauw van de rook en was al van verre te herkennen. Zeventien grote hangens heeft Huizen ten tijde van de opening van de haven, de tot bokking verwerkte haring werden met miljoenen tegelijk per trein vervoerd naar Duitsland. In 1907 werd de visafslag geopend. Ook aan de toegangsweg naar de haven, de Havenstraat, verschenen in de loop der tijd enkele “hangens”.

De Botter

De Botter was het visserschip op de Zuiderzee. Tegen 1900 visten er ongeveer 3000 schuiten van verschillende typen met zo’n 7000 bemanningsleden. In de belangrijkste Zuiderzeehavens waren er toen 1.020 schuiten geregistreerd, waarvan in Huizen nog 145 botters. De visserij was in Huizen toen al teruggelopen, want vijftien jaar eerder waren er nog 187 grote botters in Huizen. Gebouwd zijn er zeker meer botters, dat aantal zal ver boven de 2.000 stuks liggen.

De oorsprong van de botter ligt in Noord-Holland, de Zaanstreek, Monnickendam, Edam en Hoorn. In de 18e eeuw zijn er al afbeeldingen gemaakt van botterachtige schepen. Toen werd in teksten de naam Botschuit, Butterskip maar later overal botter gebruikt.

In Huizen werd vroeger de naam Bosschuit gebruikt, maar later deed ook de naam botter opgang.

Door verschillende auteurs worden er meerdere typen onderscheiden:
1. De Westwal of Marker botter, vaak een wat kleinere botter van circa 12,50 m. Ook gebruikt voor de visserij met fuiken en staande netten.
2. De Zuidwal of Gooier botter, meestal zo, n 13,50 m lang, iets meer dan 4,00 m breed, met een diepgang van 80-90 cm en een zeiloppervlak van ongeveer 70 vierkante meter. Een bijzondere variant was de koopschuit. Een snelle botter met 4 ruimen in de bun, een geveegde kont, hogere mast en langere giek en een jonge bemanning, die vis ophaalde van zee of uit andere havens. De grote hangenbazen hadden hun eigen “rederij” met meerdere koopschuiten.
3. De Oostwal of Urker botter, een grotere botter voor de Noordzee aangepast met hogere boeisels en met dekken.
4. De Volendammer Kwak, ook groter dan de Gooiers. De Noordzeevissers van Huizen gebruikten een klein soort kwak, ze werden hier Noorseeschuiten genoemd.

De werven

Een beetje rekening houdend met de “verloren” botters door stormen, ijsgang, ouderdom en ander ongelukken dan zijn er misschien wel meer dan 3.000 botters gebouwd in de afgelopen eeuwen. Het grootste deel hiervan is gebouwd in Monnickendam bij de werven van Kater en De Haas.

historie huizer haven 2Na 1859 was er ook een werf in Huizen, opgericht door Boelen en Boissevain uit Amsterdam en geleid door de zoon Pieter van Geret Kater, een grote werfbaas uit Monnickendam. In 1868 werd de noodleidende werf overgenomen door Jacob Schaap Sr, een aannemer, hangenbaas e.d. Hij overleed al een jaar later, zodat de werf door zijn vrouw, “Geesie van de Haven”, en zijn nog jonge zoons Jacob Jr en Hermanus werd overgenomen.

De werf heeft, Gebroeders Schaap geheten, tot 1924 232 botters, 13 kwakken en een blazer gebouwd. De werf werd gesloten toen bleek dat er geen geld meer te verdienen was met de bouw en het onderhoud van botters. Doorgegaan werd met de ansjovishandel, visrokerijen, taanderij en de opbouw van een conservenfabriek, de Mayonna.

Historie Huizer Haven 3In 1882 werd de werfkolk uitgebreid door Lindeboom en Kooy, na een conflict met de Gebroeders Schaap. Een tweede scheepswerf startte in Huizen. Na enkele jaren trad ook, Joost Kok, een zeilmaker van oorsprong, toe, die ook voor de Gebroeders Schaap gewerkt heeft. In 1916 traden zijn compagnons uit en ging de werf onder de naam J. Kok & Zn verder. In 1920 werd de op een na laatste botter voor de visserij gebouwd en ging deze werf over op jachtbouw.

In 1931 neemt zoon Janus Kok de werf over, die nadat zijn broers in Muiden waren begonnen, de werf met veel tegenwerking van de Gemeente wist over te plaatsen naar de “elleboog” van de haven. In 1964 kwam zoon Jan in de werf en werd de werf bekend door zijn stalen Kokschouwen. In 1973 werd de werf de “Huizer Marina”. In totaal zijn er 150 botters als visserman gebouwd en 30 botterjachten.

Huizen was dus door zijn “Gooiers” een belangrijke bouwplaats voor botters, totaal zo’n 400. De botters waren van goede kwaliteit en enkele honderden guldens duurder vergeleken met de Monnikendammers. De prijs van een vaarklare botter bedroeg eind 19e eeuw ongeveer Fl. 2.400. De zeilen ongeveer Fl. 250.

De visser en zijn methodes

Op maandagmorgen, zo vroeg mogelijk, gingen de vissers met hun kostmand naar de haven en de zee op voor de hele week. De gevangen vis werd op zee vaak verkocht aan de koopschuiten. Die waren in eigendom van de hangenbazen en zorgden voor regelmatige aanvoer voor de rokerijen en inleggerijen. Op zaterdag werd de boel weer opgekalefaterd, zowel de netten als de schuiten.

Er werd gevist op verschillende soorten en met verschillende methoden. In Huizen waren bot en haring verreweg het belangrijkst. Dit was de basis van hun bestaan. Daarnaast was de ansjovisvangst erg belangrijk als die al de Zuiderzee inzwommen. De soorten aal, garnalen en spiering waren niet erg belangrijk voor de besommingen van de Huizer “vistersminsen”.

Na de wintermaanden begon het seizoen in februari tot mei met het vissen op haring, die dan de Zuiderzee introk om kuit te schieten. Daarna viste men op ansjovis, ook een vis die trok. Maar afhankelijk van de omstandigheden, als bijvoorbeeld het water te koud was, was er soms geheel geen ansjovis. In 1917 werd er vrijwel geen ansjovis gevangen, in 1918 werden er in Huizen zo, n 5,5 mln. aangevoerd. Deze ansjovisvangst volgde direct op de haringvangst en duurde ongeveer een maand. De lucratieve ansjovis was financieel gezien zeer belangrijk voor een visserman. In een goed ansjovisjaar kon het wel gebeuren dat een visser zowel een nieuwe botter, als een nieuw huis liet bouwen.

Bot werd tot november gevangen. Zo mogelijk werd daarna op spiering gevist. Maar de meeste schepen bleven in de wintermaanden voor de wal. Alleen de Huizer schuiten die op de Noordzee visten, bleven in de havens van IJmuiden en Nieuwediep liggen.

Op de Zuiderzee werd gevist met gaand en staand want, afhankelijk van de regio en omstandigheden. Met staand want werd gevist door een driekoppige bemanning met een extra schuitje, waarmee de beug werd uitgezet en die dan stil, meestal in stromend water, bleef hangen.

De Huizers visten aanvankelijk voornamelijk met gaand want, de drijfnetten of haringschakels, die door een “span” werd gesleept. Een Huizer uitvinding van Jacob de Lange en Lambert Baas omstreeks 1780. Een dergelijk span werd door twee man per botter bemand. De botters sleepten, dwars voorliggend, een rij geschakelde netten met bovensimmen met drijvers en de ondersimmen met lood over de bodem. De haringnetten waren lichter dan de botsleepnetten, die dieper door de modder moesten.

Het Huizer visgebied was vooral de Kom van de Zuiderzee, ten zuiden van de lijn Enkhuizerzand en Urk.

De Zuiderzeevissers waren georganiseerd, sinds het midden van de 19e eeuw in de Vereniging tot Bevordering van de Belangen van de Zuiderzeevisserij ( VBBZ ). Binnen deze VBBZ werden veldslagen geleverd over vismethoden door de verschillende dorpen. Zo werd de wonderkuilvisserij een tijdje verboden.

In Huizen werd in 1905 de Vissersvereniging “Ons Belang” opgericht. Hierin werden ook de belangen van zieke vissers ( fl. 4 per week ) en weduwen ( fl. 2,50 per week) behartigt. De vereniging had in 1906 112 leden, die fl. 3,50 aan contributie betaalden.

In 1907 werd onder beheer van  Ons Belang de visafslag geopend. Met de venters werd er geruzied of er wel burgers mochten kopen. De venters wonnen uiteindelijk.

In 1851 was de opbrengst van de Huizer visserij zo, n fl. 115.000 voor 103 botters. Een besomming van fl. 1.100 per jaar gemiddeld. Dat was wat hoger dan elders. Er werd ruim 40 weken gevist, dus per week besomde een visser gemiddeld fl. 27,50. Een knecht verdiende gemiddeld 1 op 3,5; vaak gemaximeerd op fl. 8,00 per week.

Na de opening van de haven in 1854 maakte de Huizer visserij een bloeiperiode door tot in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Na 1880 fluctueerden de resultaten, maar hadden een neerwaartse trend. Vooral die van de ansjovisvisserij wisselde sterk.

Deze teruggang werd deels veroorzaakt door de vismethode, de kuil. Het vissen met staand want ( nu machinaal gebreid, dus veel goedkoper ) was in het noordelijke, sterker stromende, deel van de Zuiderzee meer succesvol. De vloot in Huizen ontwikkelde zich hieraan parallel, in 1850 nog 103 botters, in 1885 182, in 1892 171 stuks, in 1911 nog 107 schuiten, in 1918 94 schepen, in 1930 nog 34 botters en in 1961 0 botters. Ter vergelijking Marken had er in 1885 169, Spakenburg 154, Harderwijk 79. De grootste vloten hadden Volendam en Urk ( resp. 240 en 262 schuiten ook voor visserij op de Noordzee ).

Een betere maat voor het belang van de verschillende vissersdorpen is de tonnenmaat van de vloot. In 1987 stond Huizen met ongeveer 4.400 ton op derde plaats achter Volendam ( ca 7.000 ton ) en Urk ( ca 5.600 ton ). Overigens van de aanvoer in Urk, werd ongeveer 70 % door koopschuiten naar Huizen gebracht en hier verwerkt.

De rokerijen of hangens

Al voor 1800 waren er hangens in Huizen. Vaak in combinatie of liever onder firma. In 1854, bij de opening van de haven, had Huizen 18 grote rokerijen vaak in combinatie met andere visserijactiviteiten zoals inleggerijen, scheepswerf, rederijen, taanderijen, mandenmakerijen, exportfirma’s etc. Gerund door “Hangebazen”, die niet altijd even populair waren. De meesten gevestigd aan de Havenstraat.

Een rokerij bestond uit een voorgedeelte met aflopende vloer, waar de haring werd schoongemaakt en gezouten in kuipen. Na een uur in het zout werd de haring “gespiet’, dwz per twintig aan houten spiesen geregen door “spieters”. Meestal vrouwen in stukloondienst.

Vervolgens werden de spieten in een van de zeventien “hangen” door de vaste knecht. Hierin hingen tot 500 spieten boven een smeulend vuurtje van zaagsel, spanen en mot. De zwaarst gerookte “Taeje Bokkes” konden wel een jaar lang goed blijven.

Achter de rokerij bevond zich het opslaggedeelte. De bokking werd er van de spieten gehaald en verpakt in kistjes en mandjes van meestal 200 stuks. Er werd soms 24 uur gewerkt in zes dagen. Achter de rokerijen stonden vaak woningen en een mandenmakerij.

Om invoerheffingen te ontlopen stichten sommige rokerijen of combinaties daarvan rokerijen in Duitsland in het Ruhrgebied. Door de dalende koers van de Rijksmark werd de toestand voor de exporteurs steeds slechter, er kwamen verbodsbepalingen en daarmee financiële problemen. In de twintiger jaren werden veel rokerijen gesloten. In 1921 waren er nog 14 rokerijen, in 1956 nog 3 en een visconservenfabriek. En nu niets meer, allen nog wat handel en inleggerij.

De venters

Wat Huizen van andere vissersplaatsen onderscheidde waren de venters of kruiers. In het algemeen waren er evenveel actieve venters als vissers. Bokkingrokerijen, maar ook vissers van elders maakten gebruik van de Huizer venters of kruiers.

Er waren drie soorten venters:
De eerste groep ventte in de omgeving van Huizen, ging de deuren af. De tweede groep ging verder op, vaak met karren door honden of paarden getrokken. Ze kwamen in de grote steden tot Brabant en Limburg. Ze bleven de hele week weg.
De derde groep ventte in Duitsland, soms gecombineerd met kaas. De basis was het Ruhrgebied, maar sommigen gingen verder Duitsland in. De waren werden per trein of vrachtauto nagestuurd.

In de eerste wereldoorlog verging het de meeste Duitse kruiers slecht, aan het einde werden ze bijna niet meer toegelaten. Dat betekende teveel venters in het binnenland, ook door de economische omstandigheden probeerden velen hun geluk als venter. In 1920 waren er 28 venters in Huizen; in 1930 170.

Scharrelaars verpestten het langs de deur voor de vaste venters. Bot werd voor de afsluiting van de Zuiderzee eerst schaars en verdween erna geheel. De venters ook, een deel ging over op kaas.

Conclusie

Huizen was eind 19e eeuw en begin 20e een visserplaats waar een groot deel van de bevolking ( in 1850 2665, in 1900 4647, in 1910 5425 in 1920 6482 in 1930 8077 ) economische afhankelijk was van de visserij en daarmee gerelateerde industrieën.

Wat globale, soms geschatte gegevens rond 1880:

  • aantal inwoners 3500
  • aantal botters 182, is een totale bemanning van ca 400
  • aantal Hangens 18, bazen 40, rokers en vaste staf 40,
  • stukloners totaal 400
  • aantal venters 200
  • overigen, bv Mandemakers, taanders, nettenbreiers onbekend
  • er werkten direct zeker meer dan 1000 man in de
  • visserijsector

Nog een belangrijk economisch gegeven, in 1918, al een moeilijk jaar, was er aan het eind van het jaar 3 mln. gulden vanuit Duitsland overgemaakt voor de export van vis en visproducten.
In 1918 werd besloten de Zuiderzee af te sluiten na de stormvloed van 1916. Hierna ging het in Huizen snel bergafwaarts gestimuleerd door de plaatselijke overheid, die scholing en werkverschaffing gebruikte om vissers en knechten in andere bedrijfstakken te laten werken. De ontwikkeling van het Gooi en de komst van Amsterdammers naar de tuinsteden werd deels door en met Huizer bouwvakkers gerealiseerd. De vis werd niet meer “duur genoeg betaald”.

In 1961 verliet de HZ 1, van  Joost Westland, voor de laatste maal de haven. Het was over en uit.

Maar de groei ging door, in de kaas, de aannemerij en in de opkomende industrieën. Huizen bleef een ondernemend dorp, gebouwd op de harde, noeste arbeid van “visterminsen”.

Overbleven uit dat roemruchte verleden zijn onze drie botters, de HZ 1, HZ 45 en HZ 108.

HZ 52 vergaan (uit weekblad de Prins 8 april 1925)

HZ 52 vergaan

Op 6 km. afstand NW van de Huizer haven is op 9 maart 1925 de botter HZ 52 omgeslagen in een hevige sneeuwstorm, waarbij de zestigjarige schipper Izaak Veerman Gz. (Yzik Veerman) en zijn drieëntwintigjarige zoon Pieter Veerman Izn. zijn omgekomen. De schipper verdronk meteen, terwijl de zoon nog getracht heeft te zwemmen naar naburige visserschuiten. Door de lage temperatuur van het zeewater is hij echter bezweken. Na de ramp is de schuit gelicht en verkocht aan Jacob Hogenbirk, hierbij kreeg de schuit een nieuw visserijnummer HZ 19. In 1926 is deze schuit verkocht naar een visserman in Kampen, alwaar de schuit vernummerd werd als KP 89. De weduwe (Nellemeut) is nimmer hertrouwd. Er was ook nog een dochter Aaltje Veerman. Vermoedelijk een geval van te laat gereefd. Met dank aan Klaas Westland en Ingrid Helmus.

>>>Huizer haven

Wij helpen u graag verder

neem contact op