06 - 44 07 61 88

HZ 1 de ”Margot Schaap“

Het verhaal van een Gooise schuit

de eerste tocht vanIn november 2010 krijgt de stichting Huizer Botters een originele Zuidwalbotter aangeboden. De botter draagt het visserijnummer BU 80 en al snel komt dan ook de vraag of de historie van het schip is na te gaan. Het lijkt een makkelijke opgave, te meer daar in het kabelgat een oude kluiffok wordt gevonden met het visserijmerk HZ 77. Maar het wordt een bijna onmogelijke opgave. Het zoeken naar het visserijverleden van een vaartuig met een historie van meer dan honderd jaar is een moeizame kwestie. Er bestaat geen kadaster of een archief waar je de historie van een schip tevoorschijn tovert. En in dit geval zijn er veel dwaalsporen op basis van onjuiste visserijnummers.Maar met hulp uit Harderwijk en Enkhuizen is de klus toch geklaard.

Registratie

Autoriteiten hebben zich al lang bezig gehouden met het regelen van de visserij op de Zuiderzee. Rond 1780 beginnen enkele Harderwijker vissers met iets ongewoons, vissen met sleep- en drijfnetten. En vanuit Huizen begint dan ook een nieuwe visserijmethode, het in span vissen met sleepnetten tussen twee gekoppelde schuiten in. Al snel komen er protesten uit Marken, Durgerdam en Hoorn. Deze uitbreiding van de kuilvisserij gaat ten koste van hun traditionele fuikenvisserij. Men heeft zijn grieven vooral gericht op de ‘baatzoekende personen uit Huizen in Hollands Goyland’. De spanvisserij wordt door de Staten van Holland en West-Friesland bij plakkaat op 15 december 1786 verboden. Om overtreders van verre te herkennen, moeten de slepers de twee voorste letters van hun thuishaven in het zeil en op de voorsteven voeren.

Op zijn beurt verplicht Koning Lodewijk Napoleon Bonaparte in 1806 de kustvissers om hun schepen te voorzien van merken, nummers en namen. De maatregel wordt ingevoerd om smokkel met aartsvijand Engeland tegen te gaan. Na de Franse tijd verdwijnt deze verplichting. Maar bij het openstellen van de haven van Huizen in 1854 krijgen, ter controle van de inning van het havengeld, alle Huizer botters weer een verplicht brandnummer in de mast.

Op 1 augustus 1882 wordt, volgens internationale wetgeving, het voeren van een registratienummer verplicht voor alle vaartuigen van de kustvisserij. Visserijgemeentes krijgen een letterteken toegewezen en regelen zelf de uitgifte van de nummers. Het teken en het nummer moeten zowel hoog in het grootzeil, als aan weerszijden van de plecht leesbaar worden vermeld. In het ‘Register der Visscherijvaartuigen’ is door het gemeentebestuur vanaf 1882 tot 1911 de registratie voor het vissersdorp Huizen bijgehouden. De nummers worden opeenvolgend uitgegeven en lege plaatsen worden niet opgevuld. Daardoor loopt in 1911 het hoogste nummer in Huizen op tot het merk HZ 273, terwijl in dat jaar nog slechts 107 botters in Huizen zijn geregistreerd.

Op basis van een nieuwe Noordzeeconventie vervallen in 1911 weer de plaatselijke registers. De visserijschepen worden voortaan ingeschreven in een landelijk centraal register. De bestaande visserijnummers worden daarbij allemaal omgenummerd en ook worden de lege plaatsen weer opgevuld. Het registratienummer HZ 107 is na juni 1911 het hoogste visserijnummer voor Huizen. Met het afsluiten van de Zuiderzee op 28 mei 1932 worden de Zuiderzeeschepen in het register doorgehaald; zij hoeven geen visserijnummer meer te hebben in het kader van de Noordzeeconventie. Toenemende controle en toezicht door de Rijksoverheid maken het noodzakelijk dat in 1935 de regering opnieuw de verplichting tot het voeren van een visserijnummer op het IJsselmeer invoert.

BU 80

Al bij een eerste blik op de website van de BU 80 blijkt dat de daarop vermelde geschiedenis niet kan kloppen. Zo wordt het bouwjaar 1857 gehanteerd. Maar de constructie van de schuit stemt niet overeen niet met dit bouwjaar. Ook is in dat jaar nog amper sprake van nieuwbouw in Huizen. Wel is in de smeedijzeren mastkling van de botter het jaartal 1901 gehouwen. Ook bouwaard en vorm van het schip wijzen op een visbotter die gebouwd is rond de vorige eeuwwisseling op de werf van de Gebroeders Schaap. Voor de zekerheid worden enkele andere Schaap botters zorgvuldig met de nieuwe botter vergeleken. Uit deze vergelijking en uit het onderzoek van de mastkling komt vast te staan, dat deze Zuidwalbotter bij de gebroeders Schaap is gebouwd in 1901.

HZ 77

Omdat het spoor van het nummer BU 80 meteen doodloopt, is de volgende stap om het nummer HZ 77 te controleren in het gemeentearchief. Jammer genoeg levert ook dit geen resultaat op. Op 19 september 1903 wordt namelijk onder het letterteken HZ 246 een nieuwe. rechtse botter voor schipper Jacob Kos Hz. ingeschreven. Met de omnummering van 1911 wordt dat HZ 77. In oktober 1911 wordt het schip verkocht aan Jacob van Diermen uit Spakenburg en daar krijgt de schuit het nummer BU 68. Volgens het centrale register is deze botter met de beruchte januaristorm van 1916 op de wal bij Spakenburg gesmeten en daarbij totaal vernield. Tot zover een dood spoor voor de nummers BU 80 en HZ 77.

Bouwjaar

Het bouwjaar is een gegeven dat daarna is onderzocht. Immers via het ‘Register der Visscherijvaartuigen uit 1882’ van de gemeente Huizen zou je kunnen nagaan welke schepen in het bouwjaar 1901 zijn ingeschreven. Voor de jaren 1901 tot en met 1903 zijn er slechts vijf nieuwe schuiten ingeschreven:

  • 12.05.1902 HZ 242 Sij men Jansen (verkocht naar elders)
  • 19.07.1902 HZ 243 weduwe W. van der Poel (verkocht naar elders)
  • 21.07.1902 HZ 244 Jan de Graaff Pzn. (verkocht naar elders)
  • 26.07.1902 HZ 245 Firma Schaap & Boor
  • 19.09.1903 HZ 246 Jacob Kos Hz.

Opvallend dat in dit tijdvak zeer weinig vaartuigen worden ingeschreven. In 1901 zelfs geen één; het is duidelijk malaise rond de Zuiderzee. De HZ 245 krijgt bij de grote omnummering van 1911 het nieuwe nummer HZ 76; de botter wordt een jaar later verkocht naar Enkhuizen en gaat daar varen onder het visserijnummer EH 75. Ook dit spoor is onderzocht, maar loopt ook vast. Het spoor van de HZ 245 en HZ 246 lopen beide dood; het ene schip is verkocht naar de Noordwal, de ander is vernield in de januaristorm van 1916.

Literatuur

HK 134

De HK 134 zeilt Harderwijk binnen
 

De volgende stap is om veertig jaargangen van het verenigingsblad Tagrijn van de vereniging Botterbehoud door te nemen. Ook hier zijn weer een aantal foutieve visserijnummers aan het schip gekoppeld, maar met hulp op digitale afstand van drs. Jan van de Voort van het Visserijmuseum in Vlaardingen worden deze prompt doorgehaald.

Wel komt de historie over de periode 1970 tot 2010 in beeld. En komt vast te staan dat de historie van het schip gekoppeld is aan het Harderwijker visserijnummer HK 37. Dit laatste wordt nog eens bevestigd door de schrijver Peter Dorleijn. Op basis van deze informatie wordt contact gezocht met Robert Oosterhof, een kenner van Harderwijker visserijgeschiedenis. Robert bevestigt de historie van de HK 37 en leidt het zoekspoor door naar het merk HK 134. En via visserijkaart van dit schip leidt de speurtocht naar Enkhuizen. Hierop wordt de Enkhuizer Ben Kornalijnslijper ingeschakeld en deze slaagt er in om de ontbrekende historie van de botter boven water te krijgen uit zijn Noordwal periode.

Enkhuizen

Tijd om de geschiedenis van de botter uit de doeken te doen. Rond 1900 is sprake van laagconjunctuur op de Zuiderzee. De vissermannen hebben slechte besommingen en amper geld om hun schepen te onderhouden; laat staan dat ze een nieuwe botter kopen. Ook op de scheepswerf Gebroeders Schaap merken ze de teruggang. Om hun personeel toch aan de gang te houden, bouwen ze enkele botters op risico, dus zonder opdrachtgever. In 1902 liggen er enkele nieuwe te wachten op een andere eigenaar. In een van de loodsen staat nog een vierde ‘bósschuit’ op stapel. Ook deze is niet op bestelling op stapel gezet.

In Enkhuizen kan Theunis Goos Thz. senior (1854-1929) met moeite zijn gezin van veertien kinderen de kost geven. Theunis kan het hoofd boven water houden omdat hij zowel op de Zuiderzee als ook op de Noordzee actief is. Vissen op de Noordzee is sterk weersafhankelijk, alleen bij rustig weer gaat men met een botter naar buiten. Hierdoor zijn er minder visdagen dan op de Zuiderzee, maar de besommingen zijn wel beter. Een rol kan ook gespeeld hebben dat zijn talrijke zonen al op jonge leeftijd voor de spreekwoordelijke zakcent meewerken op de familieschuit. Zoon Jan (1877-1950) gaat al op negenjarige leeftijd definitief van school af om als derdemannetje met zijn vader en oom mee te gaan. Toch heeft Goos sr. rond 1900 zorgen. Het is gangbaar rond de Zuiderzee dat zodra een zoon gaat trouwen, de ouders helpen met de aankoop van een eigen schip. En zoon Jan wil juni 1901 gaan trouwen. De familie Goos is niet bemiddeld en een inkomen uit de visserij is wisselvallig. Na familieberaad en een intensieve zoektocht naar kredietgevers komen ze uiteindelijk op de scheepswerf Gebroeders Schaap terecht. Enkele nieuwe schepen liggen al twee jaar kaal, zonder rondhouten en tuigage, in het hellinggat van de werf. Om uitdrogen te voorkomen, worden ze zoveel mogelijk nat gehouden en afgedekt met oude vloermatten.

De familie Goos is goed bekend in het dorp Huizen, al eerder hebben ze daar een stokoude botter gekocht voor slechts fl. 50, -. Verder zijn er in de monding van het Noordzeekanaal contacten met Noordzeevissers van ‘t Gooi, onder andere met Hendrik Veerman ‘Hain van Aart’ van de HZ 211 en met Lammert de Groot van de HZ 114. En tijdens de haringcampagne gebruiken Huizer vissermannen doordeweeks Enkhuizen als uitvalbasis voor hun reepnetvisserij. Tijdens de haringteelt varen de koopschuiten uit ’t Gooi dag en nacht op en neer. In de negentiende eeuw zijn Enkhuizen en Urk de belangrijkste aanvoerhavens voor de jaarlijks miljoenen haringen verslindende bokkingindustrie van Huizen.

In april 1901 neemt Jan Goos voor fl. 225, – de oude botter HZ 21 over van een weduwvrouw; de botter ligt geheel afgetuigd in de haven van Huizen. De zeilen en het want zijn door de weduwe al verkocht aan een andere visserman. Omdat Theunis en Jan toch in Huizen zijn, bezoeken zij ook de scheepswerf van de gebroeders Schaap en zien daar een nieuwe botter op stapel staan, welke hun interesse wekt. De werf is bereid te zakken met de vraagprijs omdat de botter door te lang liggen, droogscheuren kan gaan vertonen. Na stevig onderhandelen, komen partijen tot overeenstemming en kan de bijlbrief worden ondertekend. Deze huurkoopovereenkomst wordt notarieel verleden bij notaris Pieter Munnikhuizen in Naarden. De werf leent Jan daarna nog een stel zeilen om zijn net aangekochte gebruikte botter te kunnen tuigen om zeilend naar Enkhuizen te komen. De HZ 21 van Jan Goos krijgt daar zijn nieuwe nummer EH 64.

Een onbekend aantal weken later wordt de nieuwe botter van vader Theunis uitgehaald en met hetzelfde stel geleende zeilen wordt weer terug naar de Noordwal gevaren. In de nieuwe thuishaven wordt de botter onder het registratienummer EH 6 op naam van Theunis Goos sr. ingeschreven. De schuit wordt geschikt gemaakt voor de Noordzeevisserij, zo wordt de gaffel voorzien van een binneval en van een nokkeval. Hierdoor is de zeilvoering meer flexibel dan met de gebruikelijke enkele val van een Zuiderzeebottter. Verder wordt de schuit opgeboeid met losse opzetboeisels. Vaste opzetboeisels geven op de Noordzee overlast bij het binnenhalen van de buitenkor met zijn zware korrestok en de twee lijvige paardenpoten. Beugers op de Noordzee gebruiken wel opzetboeisels. Een gewone Zuidwalbotter neemt met zijn lage vrijboord bij ruw weer snel water over. Omdat rond Enkhuizen meer stroming en golfslag is dan in de rest van de Zuiderzee, zijn de meeste Enkhuizer vissersschepen uitgerust met opzetboeisels.

EH 6

Zoon Jan is later vooral bekend geworden om zijn levensboek ‘Jan Goos – Visserman van Enkhuizen’, een publicatie die op geheel eigen wijze inzicht geeft in de visserij rond 1900 van Enkhuizen.

De familie Goos heeft geen angst de Noordzee op te gaan. In een reisrapport uit 1903 van Hr. Ms. schoener ‘Zeehond’ van de Koninklijke Marine komen we de EH 6 van Theunis Goos sr. en de EH 64 van Jan Goos beide tegen. Een klein deel daaruit: ’ REISRAPPORT van Hr. Ms. schoener Zeehond, belast met het politietoezicht op de visscherij in de Noordzee, van 25 tot 30 mei 1903. ……. In den loop van den dag werden verkend de navolgende visschers: Op pl. m. 52 gr. 40 m. N.br en 4 gr. 10 m. O.l. E.H. 6 en 64, U.K. 107.’

Volgens de stamkaart uit het centraal visserijregister heeft de botter de naam ‘Hoop van Zegen’ gekregen. De kaart, gedateerd 1 december 1911, vermeldt als bijzonderheden: ‘half gedekt kielvaartuig ‘Hoop van Zegen’. Eigenaar Theunis Goos Thz. Senior. Woonplaats Enkhuizen, Spoorstraat II 418. Bruto inhoud 22 m3 (’30,62’). Netto 14 m3 (‘25.47’). Bemanning 3. Visserij: schol, bot- en tongvisserij op de Noordzee en haring- ansjovis- en botvisserij op de Zuiderzee. Consent no. 1 (Juli 1911)’.

Pieter Bijl schipper

Pieter Bijl, schipper van de EH 52
 

In maart 1918 verkoopt vader Theunis zijn botter aan plaatsgenoot Pieter Bijl (1871-1956). Pieter kan behalve goed vissen, ook uitstekend praten. Evenals Theunis vist ook hij met zijn botter op de Noordzee en als hij op de afslag komt, heeft hij het hoogste woord. Daarom krijgt hij in Enkhuizen de bijnaam ‘Piet Praatje’. De botter wordt door Pieter omgenummerd naar EH 52, maar houdt de naam ‘Hoop van Zegen’. De losse opzetboeisels worden door hem vervangen door vaste opzetboeisels. Een driekoppige bemanning leidt tot de veronderstelling dat Pieter met hulp van een haringvlet met reepnetten op haring en ansjovis vist. Op de visserijkaart staat de aantekening dat in april 1928 een motor is geplaatst. Midden in de crisisjaren verkoopt op 6 april 1936 Pieter zijn botter naar Harderwijk. Pieter heeft namelijk geen pensioen opgebouwd en zo heeft hij recht op een kleine uitkering van de Zuiderzeesteunwet en ook recht op waardevermindering uit deze wet. De verkoop van de schuit is tot groot verdriet van zijn zoons Willem en Aaldert Bijl die de botter graag willen overnemen.

Harderwijk

In de oude Hanzestad Harderwijk bestaat tijdens de grote depressie van de vorige eeuw voldoende vertrouwen om nog te investeren in de visserij. Visserman Jan Foppen Azn. (1890-1947), bijgenaamd ‘Jan van Janus’, koopt dan ook met een gerust hart de gebruikte Gooise botter van Pieter Bijl. Als gevolg van de overschrijving naar deze Veluwse stad krijgt de schuit het nummer HK 134. Jan zal vermoedelijk op de scheepstimmerwerf Veluvia van de familie Oost de botter eerst in orde hebben laten maken, de schuit is immers al 35 jaar oud en in Enkhuizen intensief gebruikt. En het schip dient geschikt gemaakt te worden voor de kuilvisserij. Ook schildert Jan liefdevol op de vooronderdeur de nieuwe naam van het schip ‘Martina’, naar zijn vrouw.

jan foppen schipper

Jan Foppen, schipper van de HK 134
 

Hoewel niet gangbaar voor botters aan de Zuidwal handhaaft Jan Foppen wel de opzetboeisels, deze blijken later zelfs levensreddend. Informant Kees Poel verhaalt hier uit familieoverlevering over: ‘Door een plotselinge, felle rukwind slaat de botter HK 134 plat. Jan Foppen en zijn knecht vrezen dat hun laatste uur geslagen heeft, maar dan komt het schip weer langzaam omhoog: “Ie riest, ie riest!”.

Peter Foppen
Jan Foppen komt de Tweede Wereldoorlog met al zijn gevaren goed door, maar na een kort ziekbed overlijdt hij in 1947 en wordt het schip verhandeld aan plaatsgenoot Peter Foppen Gzn. (1892-1974). Zijn bijnaam is ‘Piet van Goossen’, naar zijn vader. Piet geeft het schip zijn eigen visserijnummer HK 37, maar handhaaft wel de scheepsnaam ‘Martina’. Piet onderhoudt de botter goed en laat tot aan 1954 veel vertimmeren aan zijn schuit op de “Kleine Helling’ en op de werf Veluvia. De periodieke hellingbeurten en kleinere timmerbeurten worden vooral op scheepwerf de ‘Kleine Helling’ van de visserijvereniging ‘Onze Toekomst’. uitgevoerd. Van 1946 tot 1947 is Piet tweede secretaris van deze beroepsvereniging en als gemotiveerd lid gunt hij zijn klandizie voor het onderhoud zoveel mogelijk aan hun eigen werf.

Vlak na de Tweede Wereldoorlog is bij de Harderwijker vissers volop geloof in de visserij; dit gevoel wordt gesteund door ruim, open water voor de deur. En in de eerste jaren direct na de oorlog zijn de jaarbesommingen bijzonder goed. Vooral paling brengt geld in het laatje en ook de snoekbaarsstand blijft stijgen. Er zijn vissers in deze periode die de aankoop van een botter binnen een teelt terugverdienen. Reden genoeg voor Piet om in 1947 door te gaan met vissen met een op dat moment al verouderde houten zeilbotter. Op de Noordzee zijn houten visserijschepen op zeilkracht dan al lang vervangen door stalen gemotoriseerde schepen. Het IJsselmeer heeft echter zijn eigen ritme en de visserij op zeilen gaat nog lang door. Piet maakt lange dagen en kan zijn brood goed verdienen als kuilvisser op het IJsselmeer. Regelmatig lost hij, samen met collega’s uit Elburg, Harderwijk en Spakenburg, op de Huizer visafslag. Met de heersende westenwinden ligt Huizen immers voor hen gunstig. Men maakt eerst een slag naar het westen en men kan bij terugkomst lossen op de Huizer afslag. Daarna is het oost over zeilend terug naar de thuishaven.

Rukwinden

Samen met zijn zoon als knecht maakt Piet van alles mee op zee, van compleet blak weer tot zware stormen. Een artikel in het OverVeluwsch Weekblad van 5 oktober 1957 verhaalt hierover: ‘Onfortuinlijke visserij. Gistermorgen liep de HK 37, schipper P. Foppen, de haven binnen met een gebroken mast. Door een rukwind werd een gedeelte eenvoudig afgerukt. Gelukkig bleven vader en zoon ongedeerd. Voor de schipper een schadepost van enkele honderden guldens, terwijl hij bovendien onverrichter zake huiswaarts moest keren. Daarbij komt dat een nieuwe mast zomaar niet één-twee-drie weer geplaatst is’.

Piet wordt echter ouder en het vissen begint hem zwaarder te vallen. Hij weet dat als hij zijn visserijvergunning voor het IJsselmeer inlevert, hij recht heeft op een magere uitkering en op waardevermindering uit de Zuiderzeesteunwet. Gezien zijn leeftijd heeft hij ook recht op AOW. Met pijn in het hart besluit hij dan ook in 1957 om te stoppen met vissen en levert zijn vergunning in. Een jaar later wordt de botter verkocht voor recreatie aan de heer A. Moens uit Hilversum; de koopsom voor het uitstekend onderhouden schip bedraagt slechts fl. 800, -.

Recreatie

De familie Moens zeilt vooral op de Loosdrechtse plassen. Het onderhoud gebeurt op de werf van Nieuwboer in Spakenburg, waar het schip bekend is als de ‘Hârrewieker’. Na een enthousiaste start slaat na een paar jaar de stemming om en wordt de botter nog amper onderhouden. Het gevolg is dat in 1962 de botter zinkt in een van de ondiepe Loosdrechtse plassen en wordt in deze staat voor zeer weinig geld verkocht aan de werf Nieuwboer. Het schip wordt door hen doorverkocht aan een onbekende particulier. Wel is bekend dat in deze periode de opmerkelijke naam ‘Sapper van Sylt’ door de botter wordt gedragen. De naam verwijst naar de wrede Friese zeeschuimer ‘Grote Pier’ die in de veertiende eeuw de Zuiderzee onveilig maakt.

Harry Smit

Langs meerdere particuliere eigenaren verzeilt dan in 1975 de botter in handen van de ongekroonde botterkoning Harry Smit uit Muiden. Harry heeft een aantal oude visserijbotters in zijn bezit die hij verhuurt aan studenten. Geld voor onderhoud is er niet altijd en als een botter is afgeschreven, wordt deze afgestoten of gesloopt. De botter vaart in deze periode nog steeds onder zijn oude nummer HK 37 en het schip begint langzamerhand berucht te worden rond de Gouwzee. De schuit is al ruim zeventig jaar oud en een paar keer gezonken in een jachthaven. De havenmeesters aan de Westwal zien de botter dan ook liever gaan dan komen. Harry is echter niet voor een gat te vangen en verkoopt het schip aan een stroman en geeft gelijkertijd de botter ook het nieuwe fantasienummer HZ 77. Vreemd genoeg zou dit qua bouwjaar kunnen kloppen, ware het niet dat de echte HZ 77 (BU 68) in 1916 is vergaan. Navraag bij Harry Smit levert niets op, hij kan zich deze specifieke botter niet goed herinneren. En hij ontkent dat hij bij de omnummering de havenmeesters een rad voor de ogen heeft willen draaien; maar hij vindt het wel een mooi verhaal.

Monnickendam

Rond 1978 verkoopt Harry de botter aan onderwijzer Willem Simons uit Barendrecht, die actief is als zetschipper in de bottervloot van Harry. De ligplaats van de botter is dan nog steeds Muiden. Een paar jaar later verhuizen Willem, zijn vrouw Helen en hun schuit naar Monnickendam. Simons verhuurt de botter voor dagtochten aan toeristen. Ondersteund door een contract met een plaatselijk hotel wordt dit grootschalig aangepakt. Willem sloopt de gehele betimmering van het vooronder er uit om plaats te bieden aan zijn betalende gasten. In het kale vooronder worden langszij banken geplaatst. Liefhebber Willem houdt de schuit in een prima staat; zo laat hij timmerwerk bij Piet Dekker in Kortenhoef uitvoeren. En later ook op de scheepswerf van Cees Droste in Hoorn.

Pas in 1999 verkoopt Wil de botter aan charterbedrijf v.o.f. De Zeilerij uit Monnickendam. Bijna twintig jaar heeft de botter geschitterd op zijn ligplaats in Monnickendam, maar na 1999 begint de aanblik af te takelen. De conditie van de schuit gaat zienderogen achteruit, de directie van het charterbedrijf besluit dan ook in 2005 de botter van de hand te doen.

BU 80

de BU 80

De BU 80 (HZ 77) op de Zuydwal
 

De nieuwe eigenaar wordt de Spakenburger Ko Ruizendaal met (schoon)zonen. Ko geeft de schuit een nieuw gefantaseerd nummer en brengt de botter onder in de stichting BU80. Direct na de aankoop beginnen zij aan het achterstallige onderhoud en brengen zij het schip terug in een bruikbare staat. Een grote klus is weer een origineel vooronder in te timmeren met het bekende kooischot, zitlaningen, meelkast en haard met vuurduvel. Hierin is men buitengewoon geslaagd. Maar vijf jaar later besluit men het schip weer van de hand te doen. Door de tegenvallende verhuurresultaten is het financieel niet op te brengen de botter solide te onderhouden. En Ko is een te groot liefhebber van botters om met een schuit in slechte staat te varen.

Huizen

In het voormalige visserijdorp Huizen is de stichting Huizer Botters actief die twee ‘bósschuiten’ beheert. Deze stichting krijgt het verrassende aanbod van de heer Ab Schreuders om een derde botter aan hen te doteren. De heer Schreuders is de schoonvader van secretaris Gert Jan Schaap en zijn enthousiaste verhalen zullen aan het aanbod zeker debet zijn. Gert Jan is een nazaat van Jacob Schaap sr., de oprichter van scheepswerf Gebroeders Schaap. Na ampel overleg van het bestuur, accepteert de stichting het aanbod van Ab Schreuders. Zijn aanbod zet een zoektocht in gang naar een originele Zuidwalbotter met bij voorkeur een Huizer verleden. Een van de botters die daarbij de revue passeert, is de BU 80 met haar kenmerkende ‘werf Schaap’ uiterlijk.

De HZ1 te water

De HZ 1 weer te water in Workum

 

Op een zeer koude en gure zaterdagmiddag op 26 november 2010 komen beide partijen tot mondelinge overeenstemming en nog dezelfde winter vaart de botter op eigen kracht in een ijzige kou naar Workum om op scheepswerf ‘De Hoop’ een eerste onderhoudsbeurt te ondergaan. Twee berghouten, twee achterboeisels, voorstuit stuurboord en nog wat van dat soort zaken zijn aan vernieuwing toe. De eerste kosten zijn gelijk al 28.000 euro. In het voorjaar 2011 wordt de botter in haar nieuwe thuishaven feestelijk gedoopt onder haar nieuwe naam ‘Margot Schaap’ en omgenummerd tot HZ 1. Inde daarop volgende winter ondergaat de schuit een tweede restauratiebeurt in Workum. Onder meer het vlak, kiel, kont, scheg, knoop, achterstuiten en een paar leggers van de schuit worden vernieuwd. En de aandrijflijn wordt gereviseerd en uitgelijnd. De kosten voor deze timmerbeurt bedragen 55.000 euro. Een sterke basis is daarmee gelegd voor verder structureel onderhoud van deze bósschuit.

Visserijnummer

Een punt van gedegen beraad is, welk visserijnummer geven we de schuit? De opties BU 80 of HK 37 worden direct verworpen; het uitgangspunt is dat het een Goois nummer moet worden. De keuze waar men dan nog voor staat is: gaan we verder met het fantasiemerk HZ 77 of gebruiken we een nieuw nummer?

Bij een consequente keuze van het systeem van voor 1911, zou het nummer HZ 274 moeten zijn. Maar omdat voor de twee andere schuiten van de stichting ook min of meer het systeem van na 1911 is gebruikt, wordt gestemd voor dit systeem. Volgens deze systematiek worden er geen nummers opgevuld en stelselmatig wordt het nieuwe nummer dan HZ 1. Voor de zekerheid wordt goedkeuring gevraagd aan de familie van schipper Joost Westland, de laatste gebruiker in 1956 van dit visserijnummer. Uiteraard heeft niemand van de familie bezwaar tegen het gebruik van dit nummer.

Tot slot

Of historie en numerologie van de HZ 1 belangrijk zijn, valt te betwijfelen. Wel geeft het verhaal een beeld van een uniek varend monument en ook geeft het een beknopt tijdsbeeld van een botter. En natuurlijk bestaat er nog de vuistregel dat hoe meer je van een onderwerp weet, des te meer je er van gaat houden.

Met dank aan:

Jan Veerman, Gert-Jan Schaap, Peter Dorleijn, Robert Oosterhof, Jan van de Voort, Ben Kornalijnslijper, Kees Poel en Reinier Zijl.

 

Lijst eigenaren

Visserij:

  • 1901-1918 EH 6 Theunis Goos Enkhuizen ‘Hoop van Zegen’
  • 1918-1936 EH 52 Pieter Bijl Enkhuizen ‘Hoop van Zegen’
  • 1936-1947 HK 134 Jan Foppen Azn. Harderwijk ‘Martina’
  • 1947-1958 HK 37 Peter Foppen Gzn. Harderwijk ‘Martina’

Recreatie:

  • 1958-1963 HK 37 A. Moens Hilversum
  • 1963-1969 HK 37 Gerrit Kamphuis Neck
  • 1969-1972 HK 37 Piet Kaptein Heemskerk ‘Sapper van Seijlt’
  • 1972-1975 HK 37 W. van Barneveld Soesterberg ‘Sapper van Seijlt’
  • 1975-1978 HZ 77 Harry Smit/J. Galesloot Amsterdam ‘Sapper van Seijlt’
  • 1978-1999 HZ 77 WillemH. Simons Monnickendam
  • 1999-2005 HZ 77 v.o.f. De Zeilerij Monnickendam
  • 2005-2010 BU 80 J. Ruizendaal h/o st. BU80 Spakenburg
  • 2010 HZ 1 stichting Huizer Botters Huizen ‘Margot Schaap’

>>>HZ1

Wij helpen u graag verder

neem contact op